Het ecosysteem achter een format-hit: Amerika
Waarom exporteert Nederland met achttien miljoen inwoners meer formats dan Duitsland, de grootste televisiemarkt van Europa? En waarom slaagde Zuid-Korea er in korte tijd in van format-importeur naar wereldspeler te worden? In deze serie analyseert Taco Rijssemus, partner bij 3Rivers, de nationale ecosystemen die de internationale formatmarkt bepalen. Hij laat zien welke culturele en politiek-economische factoren bepalen of een land formats kan exporteren. En wat dat betekent voor de toekomst van de industrie.
Amerika: de uitvinder die zichzelf voorbij liet lopen
In 1950 verkopen de Verenigde Staten What’s My Line? aan de BBC, het allereerste internationaal verhandelde televisieformat. Vanaf dat moment domineert Amerika decennialang de wereldwijde formathandel.
Volgens K7 Media’s meest recente Tracking the Giants-rapport, met cijfers over 2023, exporteerde Amerika bijna net zoveel nieuwe formats als het Verenigd Koninkrijk: 24% van alle nieuwe internationale adaptaties wereldwijd, tegenover 25% voor het VK en 15% voor Nederland. Kijk je echter naar de samenstelling van die Amerikaanse exportkracht, dan valt iets anders op. Van de in totaal 1.239 wereldwijd gelanceerde versies van Amerikaanse formats in K7’s Top 100 komt 442, ruim een derde, van titels die al voor 1990 zijn ontwikkeld. Family Feud (1976) staat op plek 3 van alle 100 travelling formats wereldwijd met 88 versies; Wheel of Fortune (1975) op plek 13 met 61. De Amerikaanse positie leunt met andere woorden voor een aanzienlijk deel altijd op een handvol klassiekers van 35 tot 75 jaar oud.
Het zwaartepunt van de formathandel is sinds de jaren negentig geleidelijk verschoven, eerst naar het Verenigd Koninkrijk, later ook naar Nederland. De geboorteplaats van het format werd, wat export betreft, ingehaald door zijn eigen leerlingen
De verklaring zit niet in cultuur. Amerika is, cultureel gezien, een van de meest geschikte landen ter wereld voor creatieve risico’s: hoge onzekerheidsacceptatie, veel ruimte voor afwijkend gedrag, en Engels als wereldtaal. De rem zit ergens anders.
Toen het Verenigd Koninkrijk in 2003 de Communications Act invoerde, kregen onafhankelijke producenten daar wettelijk de rechten op hun eigen formats. Zoiets is in Amerika nooit gebeurd. Rechten werden na het aflopen van de anti-trust Fin-Syn-regels begin jaren ’90 opgeëist door de broadcasters. Het gevolg: de economische winst van een succesvol format vloeit zelden terug naar de bedenker. Waarom zou je dan het risico nemen om iets nieuws te ontwikkelen?
Streamers hebben dat patroon niet doorbroken, eerder verstevigd. Netflix, Amazon en Apple ontwikkelen liever intern of via een select groepje vaste partners. Er gaat meer geld om, maar de rechten concentreren zich nog verder bij de platforms zelf.
Er speelt nog iets subtielers mee. Amerikaanse cultuur tolereert onzekerheid prima, maar individuele executives niet. Een gefaalde aankoop kan een carrière breken. Die angst is institutioneel, niet cultureel, en werkt als een rem die los staat van de bredere Amerikaanse experimenteerdrift. Daar komt een statushiërarchie bovenop. Scripted drama en comedy gelden als het serieuze werk, formats worden weggezet als ‘alternative programming’. De beste schrijvers en showrunners trekken naar scripted, pitches voor formats krijgen minder prioriteit, en zelfs een format-hit levert zelden het soort creatief aanzien op dat een gelauwerde dramaserie oplevert.
Ook ontbreekt wat het VK en Nederland wel hebben: een sterke publieke omroep die als eerste durft te investeren in een onbewezen idee. PBS is daarvoor simpelweg te klein. Zonder BBC- of NPO-achtig vangnet ligt al het risico bij commerciële partijen, die dat risico, gezien hun eigen carrièrelogica, het liefst vermijden.
En dan is er nog een onderbelichte factor: Amerika is zelf de grootste importmarkt ter wereld voor formats. Die bereidheid om Britse, Nederlandse en Koreaanse concepten te licentiëren houdt de exportindustrie van andere landen draaiende, maar verzwakt tegelijk de eigen prikkel om te exporteren. Waarom zelf ontwikkelen als een bewezen buitenlands format voor een fractie van de kosten binnenkomt?
Het resultaat is een paradox. Amerika heeft alle culturele ingrediënten voor formatinnovatie, maar mist het institutionele kader dat die creativiteit omzet in exportwaarde. De bakermat van de industrie bleef, op eigen kracht, een consument in plaats van een producent van internationaal verhandelbare formats.
Volgende keer: Denemarken.
Bron: Taco Rijssemus/BM
