Wie Jet de Ranitz vooraf waarschuwde voor haar nieuwe baan deed dat niet bepaald zachtzinnig. Sterkte. Jemig. Poeh, waar begín je aan? Toen ze eind vorig jaar bij de NPO binnenstapte, trof ze zelf iets anders. “Ik dacht: waar hebben al die mensen het over? Het is hier gewoon heel leuk.” Ze ging langs bij omroepen, redacties, zag ‘glimmende ogen en heel veel warmte’.
Een opgewekt antwoord van een bestuurder die bepaald niet op een rustig moment is ingestapt. De publieke omroep staat voor een historische stelselwijziging, forse bezuinigingen, banenverlies en een meer dan urgente digitale transformatie. Wat moet bovenaan haar lijst? “Mag de inhoud alsjeblíeft weer bovenaan staan? Ja, het bestel moet worden verbouwd en omroepen worden ondergebracht in omroephuizen. Maar voor het publiek? De kijker zal dat werkelijk jeuken.”
Het vat haar punt treffend samen. Niet dat identiteit De Ranitz onverschillig laat. Het maakt volgens haar wel degelijk uit of een documentaire van de VPRO, BNNVARA of PowNed afkomstig is. De afzender kleurt een verhaal. Alleen: de kijker zet NPO Start niet aan om zich te verdiepen in de bestuurlijke architectuur erachter: “Al die dingen in hoe wij georganiseerd zijn, ja, dat is wel mijn probleem. Maar dat moet niet het probleem van de kijker of luisteraar zijn.” Precies daar wordt meteen ook het spanningsveld binnen haar opdracht zichtbaar. Terwijl bestuurlijk Hilversum de komende jaren noodgedwongen naar binnen kijkt, vraagt de echte concurrentiestrijd juist om radicaal sámen naar buiten kijken.
Blinde vlekken
Het gemiddelde weekbereik van alle NPO-kanalen steeg in 2025 van 81 naar 84% en het aantal NPO-id’s groeide met een miljoen naar 4,3 miljoen. NPO Plus telt 923.000 abonnees en krijgt van gebruikers gemiddeld een 8. In maart kreeg NPO Start een gratis, reclamevrij en afgeschermd kindprofiel, waarvan er inmiddels 85.000 zijn aangemaakt.
Tegelijkertijd ziet De Ranitz nog duidelijke blinde vlekken: het bereik van jongeren, Nederlanders met een meer praktisch opleidingsprofiel en mensen met een bi-culturele achtergrond: “Hen bereiken betekent dat we eerder een omslag moeten maken. Voor wie maak je iets? Waar bevinden die mensen zich en met wie willen zij op welk moment over jouw programma in contact staan? Als je content al vanaf de start in grijpbare stukken presenteert, via social media of short form video’s op ons platform, dan creëer je meer impact. De digitale omslag vraagt ons publiek, het verhaal, en hoe en waar je dat vertelt vanaf het begin samen te brengen.”
Hoe onderzoek, content én community bij elkaar kunnen komen, ziet De Ranitz bijvoorbeeld in App me als je thuis bent van KRO-NCRV: een driedelige docuserie over de impact van seksueel geweld op straat. Vrouwen vertellen er, ook in de bijbehorende publiekscampagne via YouTube en podcast op indringende wijze over hun gevoel van onveiligheid op straat. De serie is voorzien van een populaire online omgeving, hashtag en digitale kaart waarop onveilige plekken kunnen worden aangegeven. De Ranitz: “Het was het agenderen van een thema. Door de manier waarop de makers dat gedaan hebben, voelden mensen die in hun eentje rondliepen met ‘Mij is iets overkomen en ik voel me alleen’ dat ze helemaal niet alleen stonden. Ook mannen die zich zorgen maken over vrouwen die ’s nachts niet alleen naar huis durven, kunnen daar iets doen. Dat vind ik geweldig.”
“Omroep West is mijn omroep”
Verbinden betekent bij De Ranitz niet dat iedereen comfortabel kan blijven zitten waar hij of zij zit. Elkaar proactief opzoeken en succesvolle learnings delen, is nu belangrijker dan ooit. Dat wordt concreet bij het Publiek Journalistiek Huis: de intensievere samenwerking tussen NOS, regionale en lokale publieke omroepen. Op journalistiek, kennis, capaciteit en technologie. De Ranitz, nu als mediagebruiker: “Ik woon in Zuid-Holland, dus Omroep West is mijn omroep.
Regionale journalistiek biedt iets wat landelijke journalistiek niet altijd kan: de vertaling naar de werkelijkheid van een stad of regio. Onderwerpen worden in het landelijke nieuws vaak op een wat abstracter niveau aangestipt. Juist daar maken regionale en lokale omroepen de vertaalslag naar een meer persoonlijke uitwerking van wat dat voor jou als inwoner van die stad of regio precies betekent. Ik ben dus heel blij dat we de regionale omroepen ook aan Start hebben kunnen toevoegen.”
Voor De Ranitz moet deze samenwerking verder gaan dan het uitwisselen van berichten. NPO, RPO en NLPO worden allemaal door OCW gefinancierd en investeren allemaal in technologie: “Waarom zouden publiek gefinancierde organisaties drie keer hetzelfde probleem oplossen? Op dat gebied kunnen en moeten wij veel van elkaar leren.”

Wat als YouTube het licht uitdoet?
Jongeren zitten massaal op YouTube, TikTok en andere internationale platforms, dus moet de publieke omroep daar ook zijn. Maar je moet je daar volgens De Ranitz niet aan uitleveren. Wie een community volledig op een Amerikaans platform bouwt, bezit die relatie uiteindelijk niet. Regels kunnen veranderen, algoritmes kunnen content afwaarderen en een opgebouwde gemeenschap kan plotseling onbereikbaar worden.
De Ranitz noemt het voorbeeld dat een platform bepaalde inhoud ongewenst kan gaan vinden: “Te veel LHBTIQ-content bijvoorbeeld, en het licht kan zomaar uitgaan. Daarom moet de NPO én aanwezig zijn waar het publiek zit én investeren in eigen digitale infrastructuur. Een omgeving waarin personalisatie en community worden gecombineerd met publieke waarden en continuïteit. Het gaat hier om meer dan een betere NPO Start-app. Het gaat om zeggenschap over onze relatie met het publiek.”
“Het gaat hier om meer dan
een betere NPO Start-app”
Terwijl Hilversum broedt op de vorming van omroephuizen, speelt daarbuiten een wedstrijd van totaal andere orde. Een foto van deze zomer illustreert dat bijna symbolisch. Bij een molen staat De Ranitz in opmerkelijk gezelschap: OCW-minister Rianne Letschert en staatssecretaris Willemijn Aerdts van Digitale Economie en Soevereiniteit zij aan zij met de NPO, maar ook met commerciële mediapartijen als DPG Media, Mediahuis en vertegenwoordigers van onder meer ANP, Follow the Money, RPO en Talpa. Op initiatief van Stichting Democratie en Media kwamen ze bijeen om te praten over een toekomstbestendige Nederlandse mediasector én over een tegenstander die de gebruikelijke scheidslijnen tussen publiek en commercieel ineens een stuk minder relevant maakt: de groeiende macht van Big Tech.
Scrapen
De Ranitz: “We hadden het net over YouTube en andere social media. Dat is niet alleen voor mij een grote bedreiging, maar ook voor DPG en Mediahuis. Een van de heikele punten is wat er inmiddels met journalistieke content gebeurt. Nederlandse redacties investeren in verslaggevers, research, factchecking en journalistieke verantwoordelijkheid, terwijl internationale technologiebedrijven die informatie kunnen scrapen en gebruiken voor bijvoorbeeld AI-antwoorden.
De gebruiker krijgt vervolgens een samenvatting of antwoord, maar wordt lang niet altijd teruggeleid naar de oorspronkelijke journalistieke bron. Zo dreigt degene die de journalistiek maakt niet alleen bereik en een directe relatie met zijn publiek kwijt te raken, maar uiteindelijk ook een deel van het verdienmodel waarmee diezelfde journalistiek wordt gefinancierd. En wordt informatie door AI onjuist weergegeven, dan is bovendien de vraag wie daarvoor verantwoordelijkheid draagt. Wij investeren heel erg veel in de journalistieke kwaliteit. Wij zijn daar ook op aanspreekbaar. Wij hebben redactiestatuten. Social mediapartijen hebben dat niet, die boeit het niet als er iets niet helemaal klopt.”
Nederlandse media kunnen dit volgens haar niet ieder afzonderlijk bevechten. De regels zijn er, maar een overheid moet zorgen dat deze ook daadwerkelijk worden gehandhaafd: “Daarover voeren we zeker het gesprek.” De foto bij de molen is ook in dat opzicht veelzeggend: NPO, DPG Media en Mediahuis staan er niet alleen naast elkaar, maar ook naast de twee bewindspersonen van wie zij actie verwachten.
Haar verleden als Microsoft-bestuurder geeft De Ranitz daarbij een interessante dubbelblik. Zij kent de schaal van Big Tech van binnenuit. De oplossing is niet doen alsof die machtsverhouding niet bestaat. Wel om te bepalen waar Nederlandse partijen sámen schaal kunnen creëren. Waar zij bijvoorbeeld kunnen samenwerken op het gebied van metadata: goed gelabelde content beter door algoritmes laten vinden en onderling uitwisselen. En vervolgens samen bepalen waar eigen infrastructuur nodig is, waar de overheid bij kan helpen en welke mogelijkheden er in de publiek-private samenwerking zijn. Ook als het gaat om innovatiekracht.
Meer publieke waarde
De Ranitz wil de deur naar commerciële platforms hier dus niet dichtgooien. Integendeel. Zij wil er graag mee experimenteren zolang de publieke omroep er een breder publiek mee bereikt. Sinds eind augustus is Wolven: het spel van list en bedrog daarvan een opvallend voorbeeld. De BNNVARA-spelshow met Pieter Derks en Soundos El Ahmadi is op NPO 1, NPO Start én tegelijkertijd op Disney+ te zien. Ook met RTL wordt gesproken over samenwerking op programmaniveau. De kijker moet volgens De Ranitz wél kunnen blijven zien waar zo’n titel vandaan komt: “Want als niemand weet dat Wolven grotendeels publieke content is, hoe leidt die kennismaking dan ooit terug naar de publieke omroep? Ik ben er niet om de zakken van de commerciëlen te spekken. Ik ben er om meer publieke waarde te realiseren.”
De grootste verbouwing van het bestel wordt ondertussen steeds concreter. Vanaf 2029 moeten de huidige omroepen worden ondergebracht in een beperkt aantal omroephuizen. Medewerkers van de verschillende omroepen komen straks in dienst van zo’n huis en ook de omroeplicentie wordt niet langer aan iedere afzonderlijke omroep verstrekt, maar aan het omroephuis. Binnen dat huis kunnen verschillende merken blijven bestaan. Maar als één huis straks de werkgever is én over één licentie beschikt, is dat huis dan feitelijk niet gewoon de nieuwe omroep? “Dat is net welke definitie je aan ‘omroep’ geeft”, antwoordt De Ranitz diplomatiek: “Straks heet het ‘omroephuis’ en het omroephuis krijgt één licentie. De omroepen en NPO wachten nu op de volgende stap van minister Letschert voordat we verder kunnen. Maar alles wat wij tot nu toe samen hebben moeten doen ging goed, dus aan ons zal het niet liggen.”
Minder programmaregie bij de NPO
Er volgt nog een verandering die minstens zo interessant is als het aantal omroephuizen en waarmee ook de machtsverhouding tussen NPO en omroepen enigszins zal verschuiven. In 2026 bedraagt het totale programmabudget € 847,6 miljoen. Daarvan is € 485,6 miljoen wettelijk garantiebudget en € 361,9 miljoen budget voor programmaversterking, waarover de NPO nu de regie voert. Via dat laatste bedrag kan de NPO naast investeringen op techniek en innovatie behoorlijk sturen op de programma-inhoud. De Ranitz: “De NPO zal in de nieuwe concessieperiode vanaf 2029 verantwoordelijk blijven voor een gezamenlijke koers, programmering en distributie, maar met minder omroephuizen ook lichter coördineren, zo luidt het voornemen. Zo zullen de omroephuizen meer het initiatief nemen op programma-inhoud, maar zijn we nadrukkelijk samen verantwoordelijk voor het geheel.”

De positie van producenten
Of producenten niet bang moeten zijn dat ze in het nieuwe bestel – met meer regie en budget bij de omroephuizen – er bekaaider vanaf komen? De Ranitz is stellig: nee: “Heel veel van de succesvolle titels die wij maken en waar de omroepen hun naam boven zetten, komen bij producenten vandaan. Dat zal echt wel zo blijven.” Op de vraag of er ook in het nieuwe bestel weer een gegarandeerd minimumpercentage, nu wettelijk vastgesteld op 25%, voor onafhankelijke producenten komt, zegt ze: “Ik ga er niet vanuit dat dat verdwijnt. Een wereld zonder producenten zie ik echt niet voor me.” Over de hoogte van het percentage moet het ministerie nog besluiten, maar producenten zijn volgens De Ranitz een “aard-en nagelvast onderdeel van ons publieke bestel.”
Achter alle omroepstructuren zitten mensen. Daar wordt de bestuurder De Ranitz persoonlijker. Ze vertelt over de redactie van BinnensteBuiten waar grote onzekerheid bestond over de toekomst van het programma. De redactie was boos, bezorgd en nodigde haar uit. Ze ging: “Als je dan als verantwoordelijke langskomt en zegt: ‘Als je boos bent, moet je boos zijn op mij en op Jurre (Bosman, red.), want wij zijn degenen die dat besluit genomen hebben’ dan merk je dat dit verzacht. Zeker als je vervolgens dan ook samen kunt kijken waar dan het licht zit.” Het zegt veel over haar leiderschap. Geen pijnlijke beslissing – BinnensteBuiten gaat van dagelijks naar eenmaal extra lang uitzenden op de zaterdagavond van NPO 1 – verstoppen achter ‘het proces’, maar accepteren dat de boosheid soms terecht op jouw bureau belandt. Ligt Jet weleens wakker van collega’s die door besluiten waarbij zij betrokken is hun baan verliezen? “Natuurlijk. Als je daar niet van wakker ligt, dan ben je van steen.”
“Het is nogal een stoel”
De Ranitz weet tegelijkertijd dat macht ieder gesprek verandert. “Mensen projecteren van alles op deze stoel, want het is nogal een stoel.” Zij kan zichzelf als Jet ervaren; de ander ziet óók ‘die bestuursvoorzitter van de NPO’. Iemand met invloed op de koers, de verdeling van budgetten en soms ook carrières. Die constatering loopt in het gesprek organisch over in sociale veiligheid: “De kern daarvan is macht én afhankelijkheid. Hoge prestatiedruk, hiërarchie, tijdelijke contracten en makers die afhankelijk zijn van een volgende opdracht creëren omstandigheden waarin machtsrelaties kunnen ontsporen. Signalen moeten snel boven tafel komen. Het betekent dat je moet zorgen dat als er iets gebeurt, dat het niet onder het tapijt verdwijnt en daar gaat rotten. En dat je adequaat reageert op het moment dat je dat aan de hand hebt. Het onderwerp is here to stay.”
De Ranitz noemt zichzelf een workaholic. Rond half zeven gaat de wekker; daarna volgen trein, afspraken, mail en telefoontjes. Voor televisie kijken heeft de bestuursvoorzitter van de Nederlandse publieke omroep daardoor ironisch genoeg niet eindeloos tijd. Ze houdt van muziekdocumentaires en goed Nederlands drama, maar bovenal is ze nieuwsjunkie. Meerdere keren per dag wil ze via de publieke nieuwsapps op haar telefoon weten wat er gebeurt. Misschien verklaart dat waarom ze steeds zo nadrukkelijk terugkeert naar haar eerste prioriteit.
Moed putten
De wereld is onrustiger geworden. Oorlog voelt niet langer als iets uit geschiedenisboeken. Mensen proberen te begrijpen wat er ‘in vredesnaam aan de hand is’ en hoe zij zich daartoe moeten verhouden. Maar ze hebben ook iets anders nodig: “Hoe kan ik, nadat ik het nieuws heb gekeken, ook nog een beetje lol hebben? En een beetje moed putten om ervoor te blijven gaan?”
Daar ligt voor haar uiteindelijk de belangrijkste publieke opdracht. Niet in af te slanken organogrammen, niet in het exacte aantal omroephuizen, zelfs niet in NPO Start, metadata of de omgang met AI. Wanneer is dit jaar voor haar geslaagd? “Als het ons lukt om weer over de inhoud te praten en dat het bestel een soort afterthought is. Dat Hilversum weer mínder met zichzelf bezig hoeft te zijn. En meer met degene voor wie het allemaal bedoeld is. De kijker. De luisteraar. De gebruiker. Mag juist voor hén die inhoud alsjeblieft weer bovenaan staan?”
Tekst: Ellen Danhof/BM
Fotografie: Margot Brakel