Article header image

Nieuw kabinet: ook ‘groen’ omroepbeleid?

Welk kabinet er ook komt, bijna niemand betwist nog dat er een ‘groene opdracht’ voor hen ligt te wachten. Ook het omroepbeleid zou moeten verduurzamen. Meer nadruk op continue waarden in journalistiek, educatie en cultuur, veel minder op wispelturige kijkcijfers. Een kort essay over welke prioriteiten de mediaparagraaf van een nieuw kabinet zou moeten koesteren.

Sommige mensen kunnen het woord niet meer horen, ‘duurzaam’. En toch staat het voor een manier van denken, die zich de komende decennia onherroepelijk zal uitspreiden over de wereld. Al of niet onder externe druk zullen investeerders zich steeds vaker gaan afvragen of ze met hun geld een kortademige winstkans tot leven wekken, waar goedbeschouwd ook schadelijke effecten aan verbonden zijn, dan wel een dienst of voorziening van de grond tillen, of helpen ondersteunen, die langdurig een toegevoegde waarde betekent voor de samenleving. En die, hoe je het ook wendt of keert, alleen maar bevoordeelden kent. In het ideale geval zou de overheid voorloper moeten zijn in deze investeringsfilosofie. Dus waarom het omroepbeleid niet eens langs de duurzaamheidslat leggen? En welke conclusies levert het op als we dat zouden doen?

Verleiden
Om te beginnen wordt het huidige omroepbeleid gedomineerd door de gedachte dat de NPO, met sport en amusement als voornaamste slagwapens, zoveel mogelijk burgers moet verleiden. Hoe meer zij afstemmen op publieke zenders, hoe beter dat zou zijn voor Nederland en des te meer beleidsmakers in Den Haag kunnen wijzen op een succesvol omroepbeleid.

Grote vraag: moet de overheid  de mate van succes inzake omroepbeleid nog wel afmeten aan de hoeveelheden burgers die ze weet over te halen de TV of radio aan te zetten, dan wel online te gaan, en te kiezen voor de NPO? En daarmee te mikken op een puur kwantitatief resultaat? Of is het in een duurzame samenleving veel logischer om drastisch van koers te veranderen? En niet langer de hoeveelheid kijk- of luistertijd centraal te stellen, maar de ‘betekenis’ of ‘toegevoegde waarde’ van NPO-programma’s?

En dan niet alleen voor een bepaald tijdstip of een bepaalde uitzendavond, maar duurzaam, dat wil zeggen als onderdeel van een almaar groeiend en permanent beschikbaar NPO-archief. Een publieke omroep die anno 2017 gericht blijft op de (zeer) korte termijn, ‘marktaandelen’ heiligt verklaart en zendermanagers de laan uitstuurt omdat zij onvoldoende zouden scoren, gedraagt zich niet veel anders dan een snoepfabrikant die het primaire doel heeft de hele bevolking zo snel mogelijk de ziekte obesitas te bezorgen.

Het nieuwe kabinet zou een waardegeoriënteerde mediaparagraaf moeten opstellen, waarbij journalistieke, educatieve en culturele kerndoelen worden geformuleerd

Ridicuul
Het maximeren van mediaconsumptie als ‘target’ op zichzelf is in het digitale tijdperk (met al haar informatie overkill) volstrekt ridicuul. Conclusie? Het nieuwe kabinet zou een waardegeoriënteerde mediaparagraaf moeten opstellen, waarbij journalistieke, educatieve en culturele kerndoelen worden geformuleerd. Die doelen zouden leidend moeten zijn voor het omroepbeleid. Vruchtbare ideeën over de toegankelijke, aantrekkelijke en publieksgerichte vormgeving van die doelen zijn altijd nodig en welkom, maar zouden pas op de tweede plaats dienen te komen.

Het huidige omroepbeleid, met de diverse omroepen als uniek en zogenaamd ‘pluriform’ element, is niet langer de motor van ware pluriformiteit, maar van het kopiëren, napraten, vaak zelfs versmallen van het publieke debat. Kortademige agendajournalistiek voert de boventoon. Zienswijzen van politici, wetenschappers, opiniemakers en andere ‘influentials’ worden kunstig gereduceerd tot pregnante quotes. En vervolgens, ten bate van de kijkcijfers, eindeloos tegen elkaar uitgespeeld, niet zelden in verschillende NPO-programma’s op dezelfde avond.

Dit heeft niets meer met pluriformiteit te maken. Dieptepunt hierbij vormt de eindeloze reeks losse feitjes van het allerlaatste sportnieuws, dat zichzelf door de hele programmering van de NPO voorrang heeft verschaft. En zich op die manier als een niet verwijderbare crème over het hele publieke aanbod uitsmeert.

Er is derhalve een nieuwe pluriformiteit nodig

Monocultuur
Voorbeeld: om toch maar ‘marktaandeel’ te blijven scoren, schrapt men zonder enige uitleg een waardevol historisch programma omdat elders in de wereld voor een onduidelijke eindprijs ‘live’ rondjes worden gereden op de schaats (waar vervolgens weer eindeloos over wordt nagebabbeld). Lange termijndoelstellingen leggen het bij de NPO, kortom, voortdurend af tegen het korte termijn gewin van de ‘marktaandelen’. Er is eerder sprake van een monocultuur dan van diversiteit.

Dat jonge mediaconsumenten, zoals blijkt, geen flauw benul meer hebben van welke omroep een programma afkomstig is, laat staan dat ze weten of het een publieke dan wel commerciële herkomst heeft, toont de totale inhoudelijke vervlechting aan tussen het publieke en commerciële aanbod. Er is derhalve een nieuwe pluriformiteit nodig, niet langs de lijn van inwisselbare omroepen, maar langs de lijn van journalistieke verdieping en thema’s die bij commerciële media niet of onvoldoende aan bod komen, zoals taal, wetenschap, filosofie, gezondheid, literatuur, theater, muziek, actualiteit en achtergronden bij het nieuws.

Hoewel het definitief loslaten van het omroepsysteem, transparante allocatie van publiek geld voor genoemde kerntaken en een puur inhoudelijke aansturing van de NPO (beantwoorden de programma’s aan de wettelijke opdracht?) voor onze polderlandse bestuurscultuur misschien een brug te ver is, zou het van duurzaamheid getuigen als het nieuwe kabinet significante stappen in deze richting zet.

 

Kortademig
Wanneer de NPO hoofdzakelijk programma’s blijft maken die elders ook gemaakt kunnen worden, zal de vraag naar de ‘toegevoegde waarde’ ervan onherroepelijk toenemen. En kalft de steun voor de publieke omroep af. Een duurzaam (of zo je wilt ‘groen’) omroepbeleid richt zich dan ook op programma’s, die een herkenbare journalistieke, educatieve of culturele missie vertegenwoordigen. Een missie die zich niet meer kortademig richt op het veroveren van ‘marktaandelen’ of het domineren van een bepaald uitzendtijdstip of -avond, maar op het langjarig zo goed en toegankelijk mogelijk informeren van burgers op genoemde terreinen.

Een duurzaam omroepbeleid is dus geen kwestie meer van voordringen om bij zoveel mogelijk kijkers of luisteraars in beeld te komen, maar het completeren van een mediamenu met informatieve programma’s die anders nooit gemaakt zouden worden en waar elke burger via iPad, smartphone of smart tv vrijelijk toegang toe heeft. Onderscheidende programma’s als College Tour, Het Journaal, Andere Tijden, Buitenhof, De vloer op, om er een paar te noemen, zouden in plaats van Boer zoekt Vrouw en Wie is de Mol? het hart van de NPO moeten vormen. Zonder het hybride systeem van omroepen, met hun afzonderlijke belangen, kan de impact van deze pareltjes bovendien vergroot worden door de activiteiten op tv, radio, internet en social media centraal aan te sturen en zodoende strakker te coördineren.

Auteur: Hans van Willigenburg namens de werkgroep Andere Publieke Omroep (APO)

Bericht delen